Muziektheorie - tonladder, intervall, kwintencirkel

Algemeen

Ik hoor al de kreten: "geen theorie, echt niet, dat begrijpt toch niemand en ik heb dat ook niet nodig". Veel mensen hebben nog slechte herinneringen aan de schooltijd, toen ze werden geplaagd met muziektheorie zonder praktische toepassing en zonder baat. Maar hoe vaak hoorde ik al vragen zoals: "hoezo heb ik als trompetter de muzieknoten goed geschreven, maar wanneer de altsaxofonist ze speelt, klinken ze fout?" Jullie moeten niet bang wezen! Wat ik wil behandelen begint vanaf nul kennis. Het heeft betrekking op iedere musicus en gaat iedereen die een instrument speelt helpen om het eigen musiceren, en vooral het musiceren samen met anderen te begrijpen en te vergemakkelijken.

De majeurtoonladder

Om bij de majeurtoonladder van de ene toon naar de volgende te gaan heb je bepaalde afstanden. In principe geldt, dat de trap van de ene toon naar de volgende een halve trap is. Daaruit blijkt bij een majeurtoonladder een vastgelegd patroon. C majeur is hiervoor een goed voorbeeld. De toonladder van C majeur bestaat uit de tonen C D E F G A B C. Dit zijn op de piano slechts de witte toetsen. Omdat bijvoorbeeld tussen C en D de toon Cis/Des ligt, is dus de afstand tussen C en D en hele trap (= 2 halve tonen: C-Cis en Cis-D). Tussen E en F ligt geen andere toon, deze toonafstand (zoals tussen B en C) is dus een halve toon. Bekijk je nu de opbouw van de toonladder van C majeur, dan blijken er de volgende trappen: Iedere majeurtoonladder is volgens dit patroon opgebouwd: 2 hele trappen 1 halve trap 3 hele trappen 1 halve trap



Alle tonen die niet bij de C majeur horen (dus alle zwarte toetsen) krijgen een voorteken. Wordt C met een halve toon verhoogd, dan wordt het dus Cis. Wordt D met een halve toon verlaagd, dan wordt het Des. Bij de muzieknoten doe je dit met behulp van de voortekens "#" en "b".  Aldus C# ofwel Db.


Iedere majeurtoonladder is volgens dit patroon opgebouwd:
2 hele trappen 1 halve trap 3 hele trappen 1 halve trap

De intervallen

De afstanden tussen twee tonen worden intervallen genoemd. Als je deze kent is het behulpzaam om andere toonladders te bouwen.

C - C#/Db    = kleine secunde    ( 1 halve trap )
C - D            = grote secunde     ( 1 hele trap )
C - D#/Eb    = kleine terts    ( 1 ½ trappen )
C - E             = grote terts        ( 2 hele trappen )
C - F             = reine kwart    ( 2 hele - 1 halve trap)
C - F#/Gb     = overmatige kwart/verminderde kwint     
                         (ook wel tritonus - van C naar F# zijn het 3 hele trappen)
C - G            = reine kwint    ( 3 ½ trappen )       
C - G#/Ab    = overmatige kwint/ kleine sext
C - A            = grote sext
C - A#/Bb    = kleine septiem
C - B            = grote septiem
C - C            = oktaaf


De intervallen worden nog belangrijker wanneer we later naar de opbouw van akkoorden kijken.
Nou bestaat er niet alleen de toonladder van C majeur maar er zijn nog 11 verdere majeurtoonladders. En nu komen de voortekens erbij. Kijken we vooreerst naar de kruisjes #. Als je, uitgaande van de toon G, en majeurtoonladder bouwt, heb je voor de laatste halve trap de toon F# nodig, om het stelsel van "2 hele, 1 halve, 3 hele en 1 halve trap" te kunnen toepassen. Dus komt in de G majeur de toon F niet voor, maar wel de F#. Daarom heeft G majeur één kruisje ("#") als voorteken. Dit # verhoogt F naar Fis. Het interval dat ik heb gebruikt om van C naar G te komen is een kwint. Nemen we nu G majeur als basis-toonsoort. De kwint van G is D. De toonladder van D behoudt de F#, welk we in G majeur hebben ingebracht. Nu moeten we weer een halve toon verhogen, om de laatste trap van de toonlaader te kunnen inbouwen. Deze keer moeten we C naar C# verhogen. D majeur heeft dus 2 # (kruisjes) als voortekens: F# en C#. Als je dit systeem consequent verder toepast blijkt het één van de meest geniale hulpmiddelen van de muziek:

De kwintencirkel

Dit ding - veel gehaat en vaak verdoemd en absoluut onderschat bevat oneindig veel informatie. Wij zien hier duidelijk waarom de verschillende toonsorten überhaupt hun voortekens hebben en welke dat telkens zijn. Dit is echter maar één toepassing.

Bovenaan hebben we gezien dat dezelfde toon twee verschillende benamingen kan hebben.
C# = Db, D# = Eb enzovoort. Dit feit noem je enharmonische verwisseling. Helemaal onderaan in de kwintencirkel - de ses op de klok ;-) - vind je F# - majeur. Als je van hieruit nog meer kruisjes zou inbrengen (in theorie natuurlijk mogeleijk maar in de praktijk wordt dit nooit gedaan), zou er van de tonen van de C majeur C D E F G A B straks niet meer veel overblijven. De "F" zijn we al in G majeur kwijt geraakt, de "C" in D majeur, de "G" in A majeur, de "D" in E majeur, de "A" in B majeur en de "E" in Fis majeur. En wie zou a.u.b. noten met meer dan 7 kruisjes kunnen lezen?


Hier komen de mollen als toepassing. Bekijk je de kwintencirkel een keertje tegen de klok, heb je van deze kant een kwartencirkel, want het interval tussen C en F is een kwart. Als wij nu de toonladder van F majeur zonder kruijse wille bouwen (G majeur heeft immers al en #, dit zou tot verwisselingen leiden) moeten we de B naar Bes verlagen. Daarom heeft de toonsoort F majeur een b als voorteken. De kwart van F is de zonet verkregen Bes zelf. Dus krijgt Bes majeur twee moltekens, eentje, dat B naar Bes verlaagt en eentje, dat E naar Es verlaagt.
Als je dit systeem voortzet leidt het ons naar Gb majeur, Gb majeur is hetzelfde als F# majeur en onze cirkel is kompleet.

De tonoi (de zgn. "kerktoonladders")

Om de verwarring kompleet te maken, kijken wij nu welke toonladder je nog uit de C majeur kunt bouwen. De C majeur kunnen wij ook bijvoorbeeld van "D" tot en met "D" spelen. Wij horen dat deze toonladder een volledig andere karakter heeft. Dat ligt aan de derde toon van deze  toonladder. Terwijl wij bij de C majeur tussen C en E twee hele afstanden hebben (d.w.z. een grote terts), hebben wij tussen D en F maar 1 ½ trappen (d.w.z. een kleine terts). Het is de terts, die bepaald of wij het met majeur of mineur hebben te maken! De grote terts is zodoende de zogenoemde majeur terts en de kleine terts de zogenoemde mineur terts. Wij kunnen derhalve een mineurtoonladder spelen, die dezelfde tonen heeft als C majeur. Gaan we door naar de toonladder "E" tot en met "E". Weer een mineurtoonladder, maar wel iets anders opgebouwd dan de zonet omschreven D mineur. Dit ligt gewoon aan de asymmetrische volgorde van hele en halve trappen.

Hier nun die Bezeichnungen:

 

"ionisch"



"dorisch"



"phrygisch"



"lydisch"




"mixolydisch"




"äolisch"



"lokrisch"


- En nog een wat "vreemd" klinkende toonladder, die weliswaar een kleine terts behoudt maar geen reine kwint.
Misschien zijn jullie wel eens de term "kerktoonladder" tegen gekomen. Wat ik zonet heb uitgelegd is al het hele spookbeeld!

Waarvoor we deze onzin kunnen gebruiken, zien we, als we later volledige melodieën bekijken, welke via bepaalde akkoorden worden gespeeld. Of wanneer we zelf een keertje een melodie willen verzinnen, dit noem je "improvisatie". De boven genoemdem benamingen zijn trouwens grieks, en je vind deze ook in de beeldende kunsten terug. Er zijn bijvoorbeeld verschillende kolommen, die eolisch, dorisch en ionisch worden genoemd.
Over Europese melodieën en toonladders was dit het, tot de blues duurt het nog even ;-)

Jij hebt natuurlijk alleen baat bij deze theorie, wanneer je bereid bent er een beetje mee bezig te zijn. Je hoeft geen pianist te zijn, maar elk nog zo klein en goedkoop toetsinstrument kan je helpen om alles te verinnerlijken, gewoon omdat je de tonen voor je ziet en je niet bekwaam hoeft te zijn om de tonen te laten klinken. In deel twee wijden we ons aan de samenklank van tonen, die - als het goed is - harmonisch is. Daarom noemen wij dit harmonie. Waar meer dan één toon klinkt, hebben we het met een harmonie te maken. Om die reden is het belangrijk, zich daarmee ook bezig te houden!

Jullie


Mike Rafalczyk


 

Als trombonist, bluesharpspeler en zanger tournooien, concerten en studio-opnames met de volgende musici/bands: sinds 1999 permanent lid bij Albie Donnellys "Supercharge", "Champion" Jack Dupree, Peanuts Huckoo ( VS, musicus bij L.Armstrong/Glenn Miller), Ken Colyer ( tp, GB ), Roy Williams ( tb, GB), John Barnes ( sax, GB ), John Crocker ( sax ) en Vic Pitt ( b ), alle twee musici bij Chris Barber, Phillip Catherine ( g, F ), alsmede musicus bij de schouwburgen: Duisburg, Oberhausen, Dortmund en  Wuppertal, bij producties als: "Dreigroschenoper", "Buddy Boldens Blues", "Bugsy Malone", "Girls, Girls, Girls", 10 jaar musicus bij de "Komm´ Mit Mann!s" Festivals in: Dresden, Kempten, Bilbao (E), Eslöv (S), Basel (CH), St. Guermine (F), Copenhagen (DK), Verona (I)