Ontwikkeling van een gezamenlijke klankeenheid

Samenwerken afdeling "laag koper"

Zo als ieder bouwwerk een stabiel fundament moet hebben, zijn de "lage spelers" van het orkest figuurlijk gesproken het fundament van het orkest. Om samen een optimale klankeenheid te vormen, is het in eerste instantie belangrijk, om zijn eigen kwaliteits programma te ontwikkelen en uit te werken. Daarbij hoort de speler zelf, het mondstuk (snijpunt), het instrument (grootte) en het vermogen, om afhankelijk van de eigen stand van spelen, de eigen energie naar klanken en muziek te over te brengen Een korte dagelijkse oefening werkt zich altijd positief op het hele speelgedrag uit, en dit komt weer de hele groep, zoals het hele orkest ten goede. 

 

 

Over horen en aanvoelen (intonatie)

intonatie

Éen hoofdonderwerp, zonder de andere vraagpunten (dynamiek, frasering, pauzes enz.) te verontachtzamen, is: de intonatie 1 ofwel het fijnstemmen van de toonhoogte.
De werking van een groep van instrumenten, die goed geïntoneerd en fraseerd wordt, is dubbel groot.
Veel musici vinden de oefening "tonen houden" (longtone) vervelend. Deze oefening zal echter de conditie van de speler opbouwen en kan met een "longtone-concept" ook meteen nog het spelen van melodieën en andere repetitie oefeningen zeer langzaam verbeteren. Ik noem dit heel langzame repeteren ook "Tai Chi" oefeningen, die bij het spelen voldoende tijd voor correcties over laten. Om het eigen beoordelingsvermogen van de musici te sterken en om de tijdens het stemmen vaak gestelde vraag, of de toon "zo" goed is of niet, zo veel mogelijk te voorkomen, volg ik met de volgende oefening opzettelijk "bewust fout" de omgekeerde weg, om het individuele zelfvertrouwen te sterken.
Bij de eerste oefening spelen twee tubisten (of ook alle anderen instrumenten) tegelijkertijd dezelfde toon, bijvoorbeeld "Bb" (of elke andere toon). Tubist éen probeert consequent de toonhoogte te houden, tubist twee probeert zich langzaam naar boven of beneden te bewegen. 

 

Klopt de toon steeds "slechter" gaat de onaangename trilling tussen de instrumenten toenemen. Bij de a contrario-redenering leer je hierdoor, hoe "goed" zich goed geïintoneerde tonen kunnen aanvoelen en vooral, waarop je bij het stemmen van de instrumenten moet letten. Zijn de tonen goed uitgebalanceerd, kun je veel makkelijker spelen en je hebt ook nog plezier erbij.

De beweeglijkheid van het spelen en horen

Bij de samenklang van een instrumentenafdeling zou ook een zekere hiërarchie worden bewaard. Iedere musicus kent de problematiek van het geluidsvolume (muzikale dynamiek). Bij heel veel musici ligt (helaas) het gewone geluidsvolume op grond van de eigen onzekerheid bij het spel bij mezzoforte (matig hard). Het is veel moeilijker, om heel zacht of heel hard te spelen, wat wel door dagelijks repeteren duidelijk verbeterd kan worden. Het is ook duidelijk dat de tweede stem niet harder dan de eerste stem zou zijn. Een bijkomend fenomeen is, dat je jezelf het minst hoort, of dat de instrumenten naast of achter je juist een fortissimo spelen. Zo als  musici altijd "flexibel" qua klank moeten zijn, om zo snel mogelijk op de meest verschillende muzikale eisen te kunnen reageren, kun je ook de "flexibiliteit van het horen" trainen. Vaak zijn er andere instrumenten, die zojuist dezelfde melodie of dezelfde toon einden spelen, waardoor je makkelijker kunt doorspelen, omdat het dezelfde toon is, waarmee je gaat doorspelen. Daarom  is het belangrijk, de muziekstukken met hun instrumenten goed te kennen. Zo weet je precies, waarnaar je juist moet luisteren.

De beroemde derde stem

derde stem

 

Ook bij laag koper heb je een "eerste" stem. Bijvoorbeeld de eerste trombone (tenorhoorn) en de tuba (bas trombone) vormen het raamwerk, met meestal heldere melodielijn. De tweede stem ligt op tertsniveau en hoort qua geluidsvolume beneden de eerste stem te liggen. De derde stem moet in alle instrumentale stukken muzikaal de moeilijkste gedeelte spelen. De stem ligt weliswaar op een goed speelbaar medium niveau, maar muzikaal wordt zij als vulstem ingezet en moet meestal abstracte toonsprongen spelen. Het geluidsvolume van de derde stem hoort  beneden het volume van de eerste, tweede en vierde stem te liggen. Dit betekent dus (paradoxaal), dat je de stem moet spelen en het minst kunt horen? Helaas kun je deze vraag alleen met "ja" beantwoorden en dit toont de problematiek van deze derde stem.


De controle moet meer door het "binnen"oor worden uitgeoefend. Dat betekent, je hebt de toon voorgesteld en lichamelijk beleefd, maar je hoort hem slechts in de samen- of (de) wanklank. Via het oor neemt ons geheugen de beslissing voor onze gewaarwording (goed/slecht) en geeft ons verder informatie, om indien nodig te corrigeren. Het is aan te bevelen, bij het repeteren van de afdeling opnames te maken, om het gespeelde zonder speelstress te kunnen beoordelen en verbeteren.

Een instrumentenafdeling zonder orkest heeft tijd nodig, om zich muzikaal te ontwikkelen, en het blijkt ook hier, dat er nog veel onderwerpen zijn, die door goede kennis het eigen spel duidelijk verbeteren.

Dus verder nog veel plezier en succes bij het spelen. 

Paul L. Schütt